© 2019 Werkgroep RWA

is een samenwerking tussen Colt International en Kingspan Light + Air

Privacybeleid van Colt International

Privacybeleid van Kingspan Light + Air

Inleiding

 

De eigenaar van een gebouw is er volgens artikel 1a van de Woningwet verantwoordelijk voor dat zijn gebouw aan de van toepassing zijnde brandveiligheidsregelgeving voldoet. Indien een gebouw niet aan de eisen voldoet, kan het bevoegd gezag aan de hand van de Algemene Wet Bestuursrecht handhavend optreden en in de uiterste situatie zelfs overgaan tot het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang uitoefenen (bijv. het gebouw niet openstellen).

 

Zowel nieuwe als bestaande gebouwen moeten voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, dat technische voorschriften bevat omtrent veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het Bouwbesluit 2012 is een algemene maatregel van bestuur, die wordt aangestuurd in artikel 2 van de Woningwet. Het Bouwbesluit 2012 kent diverse niveaus van eisen en bevat meerdere manieren om invulling te geven aan deze voorschriften.

 

 

Doelstellingen Bouwbesluit 2012

 

Het Bouwbesluit 2012 kent ten aanzien van het aspect brandveiligheid twee overheidsdoelstellingen. Deze kunnen worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit, de wetshistorie, Kamerstukken en andere officiële publicaties en onderzoeksresultaten die ten grondslag hebben gelegen aan bepaalde voorschriften. De overheidsdoelstellingen ten aanzien van brandveiligheid zijn:

 

  • het tot een aanvaardbaar minimum beperken van de kans op slachtoffers;

  • het tot een aanvaardbaar minimum beperken van de kans op schade aan bouwwerken op andere  percelen.

 

Opgemerkt wordt dat het Bouwbesluit 2012 dus geen absolute brandveiligheid biedt: ook een gebouw dat volledig aan alle brandveiligheidseisen voldoet, kan bij brand uiteindelijk verloren gaan en hierbij kunnen zelfs slachtoffers vallen.

 

 

Eisenniveau

 

Het Bouwbesluit 2012 kent in beginsel twee niveaus van eisen: nieuwbouw en bestaande bouw. Voor nieuw te realiseren gebouwen is het toetsingskader helder: die gebouwen moeten voldoen aan de eisen niveau nieuwbouw. Voor bestaande gebouwen is het toetsingskader echter complexer. Bestaande gebouwen moeten ten minste voldoen aan de eisen niveau bestaande bouw en ‘maximaal’ aan de eisen niveau nieuwbouw. Het niveau bestaande bouw vormt de absolute ondergrens. Een dergelijke absolute grens geldt niet aan de bovenzijde: het bevoegd gezag mag geen hogere eisen stellen dan de nieuwbouweisen, maar een gebouweigenaar kan er zelf wel voor kiezen een hoger veiligheidsniveau te realiseren, zodat bijvoorbeeld de kans op slachtoffers of schade aan het gebouw (verder) wordt verkleind.

Als een gebouw is vergund op een hoger niveau dan bestaande bouw, mag er rekening worden gehouden met de effecten van ‘autonome veroudering’ van constructieonderdelen zoals ramen en deuren, die bijvoorbeeld kan plaatsvinden als gevolg van weersinvloeden of gebruik. Door deze autonome veroudering kan het technisch kwaliteitsniveau van een gebouw in de loop der tijd afnemen. Ook kan er sprake zijn van ‘voortschrijdend inzicht’, waardoor bepaalde constructieonderdelen niet meer voldoen aan de huidige nieuwbouweisen, maar onder bepaalde voorwaarden nog wel toegepast mogen blijven in bestaande bouw; draadglas in een brandscheiding is hier een bekend voorbeeld van. Uiteraard heeft het voorts toegevoegde waarde als aangetoond kan worden dat adequaat onderhoud is uitgevoerd.

 

De bouwregelgeving verzet zich niet tegen autonome veroudering en voortschrijdend inzicht, zolang het van toepassing zijnde bodemniveau voor een bestaand gebouw maar niet wordt onderschreden. Uitgezonderd hiervan zijn echter zaken waarvoor op grond van artikel 1.16 Bouwbesluit 2012 voorschriften gelden voor het behoud van het kwaliteitsniveau, zoals een brandbeveiligingsinstallatie.

Opgemerkt wordt dat het niveau bestaande bouw vaak wordt aangemerkt als het ‘economisch minimum niveau’. Met name voor woonfuncties zijn de bestaande bouw eisen laag. Dit betekent dat het veiligheidsniveau van een woongebouw dat slechts aan de minimumeisen voldoet, niet per definitie ook als ‘voldoende veilig’ aangemerkt kan worden.

 

Tot slot heeft het bevoegd gezag op grond van artikel 13 uit de Woningwet nog de mogelijkheid een hoger niveau dan bestaande bouw te eisen, tot maximaal het niveau nieuwbouw, mits dit voor de specifieke situatie gemotiveerd wordt. Van deze mogelijkheid wordt door het bevoegd gezag in het algemeen weinig gebruik gemaakt. Een beroep op artikel 13 zal bijvoorbeeld kunnen slagen als sprake is van bijzondere categorieën van verminderd of verhinderd zelfredzame personen, complexe gebouwen of gebouwen met erg hoge bezettingsgraden.

Verbouw

 

Naast de twee hoofdniveaus met eisen voor bestaande bouw en nieuwbouw kent het Bouwbesluit 2012 ook nog een soort tussenniveau: verbouw. Als een gebouw niet (meer) voldoet aan de eisen niveau bestaande bouw, dan zijn aanpassingen noodzakelijk. Als hiertoe ‘verbouwd’ moet worden, dat wil zeggen geheel of gedeeltelijk vernieuwd, veranderd of vergroot, dan moet voor dat betreffende aspect worden voldaan aan de nieuwbouweisen, tenzij in de betreffende afdeling voor een voorschrift anders is aangegeven.

 

Voor de bouwkundige brandveiligheidsaspecten is dat vaak het geval; er wordt dan bij de nieuwbouweisen veelal verwezen naar het zogenoemde ‘rechtens verkregen niveau’. Dit is het niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften. Dit niveau mag niet lager zijn dan het niveau bestaande bouw en niet hoger dan het niveau nieuwbouw. Bij de installatietechnische eisen heeft het rechtens verkregen niveau met name betrekking op het mogen hanteren van de ontwerpvoorschriften ten tijde van aanleg van de installatie.

 

Het gebouw mag bij verbouw tot slot niet bewust een lager veiligheidsniveau krijgen dan oorspronkelijk beoogd met de bouwvergunning.

Soorten eisen

 

Er moet worden voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Dit kent twee soorten eisen: functionele eisen en prestatie-eisen. Een functionele eis is een doelvoorschrift, waarin door middel van een abstract geformuleerde eis de doelstelling van de betreffende afdeling staat weergegeven; een snelle uitbreiding van brand moet bijvoorbeeld voldoende worden beperkt. Door middel van prestatie-eisen wordt invulling gegeven aan een functionele eis; een brandcompartiment mag bijvoorbeeld een maximale omvang hebben van 1.000 m2. Als wordt voldaan aan de prestatie-eisen, wordt automatisch voldaan aan de bovenliggende functionele eis en kunnen er door het bevoegd gezag in beginsel geen aanvullende eisen worden gesteld. Wordt niet voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften dan wordt in basis een economisch delict begaan.

 

Welke prestatie-eisen er bij een functionele eis van toepassing zijn, wordt met name bepaald door de gekozen (sub)gebruiksfunctie. Een gebruiksfunctie is gedefinieerd als ‘die gedeelten van één of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen’. Een subgebruiksfunctie is een nadere opdeling binnen de gebruiksfunctie. Zo kent het Bouwbesluit 2012 de gebruiksfunctie ‘wonen’, met bijvoorbeeld als subgebruiksfuncties een ‘woonfunctie voor zorg’ of een ‘woonfunctie voor kamergewijze verhuur’.

 

Met de functionele eisen wordt invulling gegeven aan de overheidsdoelstellingen zoals verwoord in paragraaf 1.2. Deze functionele eisen, die in de inspectieschema’s voor brandbeveiliging ook wel ‘primaire doelstellingen’ worden genoemd, zijn als volgt:

 

  • Een gebouw moet bij brand gedurende een redelijke tijd verlaten en doorzocht kunnen worden, zonder dat er gevaar op instorting is.

  • Het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie moet voldoende worden beperkt.

  • Brand en rook mogen zich niet te snel kunnen ontwikkelen.

  • De kans op een snelle uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt.

  • Uitbreiding van brand moet in verdergaande mate worden beperkt, zodat veilig kan worden gevlucht.

  • In een gebouw moeten zodanige vluchtroutes aanwezig zijn, dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • Een brand moet tijdig gedetecteerd worden, zodat veilig kan worden gevlucht.

  • Een gebouw moet zodanige voorzieningen hebben, dat het ontvluchten goed kan verlopen.

  • Een gebouw moet zodanige voorzieningen hebben voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

  • Een gebouw moet zodanig bereikbaar zijn voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

 

Er zijn twee manieren om invulling te geven aan deze functionele eisen. De meest eenvoudige manier is om te voldoen aan de bij een functionele eis horende prestatie-eisen. Er mag echter ook worden afgeweken van de prestatie-eisen. Op dat moment moet worden aangetoond dat desondanks sprake is van een gelijkwaardig veiligheidsniveau als beoogd met de prestatie-eisen. Vaak betekent dit dat er aanvullende maatregelen moeten worden getroffen, zoals het aanbrengen van een RBS- of een sprinklerinstallatie.

Gelijkwaardigheid

 

De gelijkwaardigheidsbepaling is vastgelegd in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 en luidt als volgt: “Aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.”

 

Gelijkwaardigheid moet worden aangetoond ten genoegen van het bevoegd gezag. Om gelijkwaardigheid aan te tonen, moet eerst het doel dat wordt nagestreefd, vastgesteld worden. Gelijkwaardigheid kan worden aangetoond ten opzichte van ofwel de functionele eisen, ofwel de bovenliggende overheidsdoelstellingen, zie ook paragraaf 1.2. Het bevoegd gezag heeft bij de beoordeling van gelijkwaardige oplossingen enige vrijheid, omdat gelijkwaardigheid geen exacte wetenschap is, waarbij exact en objectief bepaald kan worden of het gerealiseerde niveau gelijkwaardig is als beoogd met de prestatie-eisen.

 

De beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag wordt wel enigszins beperkt, doordat het Bouwbesluit voorschrijft dat sprake moet zijn van ‘eenzelfde mate van veiligheid’. Alleen de doelstellingen die aan het Bouwbesluit 2012 ten grondslag liggen, mogen daarbij een rol spelen. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij de beoordeling aspecten zoals het behoud van een gebouw bij brand of schade aan het milieu geen rol mogen spelen. Ook mag het bevoegd gezag in beginsel geen eisen laten meewegen, waar het Bouwbesluit 2012 geen eisen aan stelt, zoals de handhaafbaarheid van een gelijkwaardige oplossing of de realiseerbaarheid.

 

Desondanks blijft de beoordeling van gelijkwaardigheid in enige mate subjectief en er is absoluut sprake van maatwerk. Het zal zelden voorkomen dat twee op het oog vergelijkbare situaties volkomen identiek zijn. Praktijkervaring leert dat het vaak ook relatief kleine details zijn, die een grote invloed kunnen hebben op het veiligheidsniveau.

 

De wijze waarop een gelijkwaardige oplossing moet worden aangetoond, staat een aanvrager vrij. Soms kan er gebruik worden gemaakt van normen, richtlijnen of branchedocumenten, maar het gebruik daarvan is niet verplicht en soms zijn dergelijke documenten ook in het geheel niet beschikbaar.

 

 
‘Rechtens verkregen gelijkwaardigheidsniveau’

 

Wanneer een gelijkwaardige oplossing eenmaal is vergund, kunnen er niet zonder meer op een later moment door het bevoegd gezag aanvullende eisen worden gesteld, tenzij er sprake is van een aanscherping van de bestaande bouw eis(en) uit het vigerende Bouwbesluit; dit vormt immers altijd de absolute ondergrens waar elk gebouw in Nederland aan moet voldoen. Als een gelijkwaardigheid eenmaal met een bepaalde methode is onderbouwd, en na een aantal jaar wijzigt deze methode, dan mag, zelfs bij uitbreidingen, toch nog steeds de oude methode worden gebruikt. Een belangrijke voorwaarde hierbij is wel, dat de uitgangspunten volledig en correct zijn vastgelegd.

 

 
Rookbeheersing in relatie tot wetgeving

 

Voor brandbeveiligingsinstallaties zoals automatische blusinstallaties (bijvoorbeeld sprinklerinstallatie) en rookbeheersingssystemen (in combinatie met brandmeld) geldt dus dat deze worden toegepast, niet omdat deze geëist worden maar op basis van gelijkwaardigheid.

De onderdelen waarvoor een rookbeheersingssysteem gelijkwaardigheid kan bieden zijn:

  • overschrijding maximale omvang brandcompartiment;

  • overschrijding maximale vluchtweglengte;

  • bescherming hoofddraagconstructie;

  • besloten/niet-besloten ruimte.

Opgemerkt dient te worden dat:

  • Het bouwbesluit onderscheidt maakt tussen bestaande bouw en nieuwbouw.

  • Het Bouwbesluit een uitzondering maakt voor een gebruiksfunctie voor de opslag van, bij ministeriële regeling aangegeven, brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen (opslag van gevaarlijke stoffen). Voor opslag van gevaarlijke stoffen zijn separate documenten opgesteld. PGS15 (opslag van verpakte gevaarlijke stoffen) is één van deze documenten. Hierin wordt in een aantal situaties een rookbeheersingssysteem als basisinstallatie vereist.

Overschrijding maximale omvang brandcompartimenten:

Brandcompartiment: een vooraf vastgesteld maximaal uitbreidingsgebied van een brand. Het bouwwerk of het gedeelte van het bouwwerk moet zodanig zijn dat de brand zich binnen een uur niet uitbreidt naar een naastgelegen bouwwerk of gedeelte van een bouwwerk. De vloer, de muren, het dak moeten de brand dus gedurende één uur binnen deze grenzen kunnen houden. Na dit uur wordt verwacht dat de hulpdiensten (brandweer) de brandmeester is. “Brandmeester” wil niet zeggen dat de brand is gedoofd maar wel dat de brandweer de brand onder controle heeft. De brandweer heeft op dat moment dus de functie van de brandwerende scheiding overgenomen.

De maximale oppervlakte van een brandcompartiment is gekoppeld aan de gebruiksfunctie. Zo geldt bijvoorbeeld voor nieuwbouw dat een celfunctie dat deze maximaal 500 m2 mag bedragen, voor een winkelfunctie dat deze 1.000 m2 mag bedragen en dat deze voor een industriefunctie 2.500 m2 mag bedragen.

Overschrijding maximale vluchtweglengte:

Er wordt gesteld dat een volwassen gezond persoon 30 seconden zijn adem in kan houden. Tijdens het vluchten wordt gesteld dat een volwassen gezond persoon een loopsnelheid heeft van 1 m/s. Een volwassen gezond persoon kan dus 30x1 = 30 meter vluchten. Het bouwwerk moet dan ook zo zijn ingericht dat binnen 30 meter een veilig heenkomen gevonden kan worden (in de regel wordt gesteld: het aansluitende terrein bereikt kan worden). In Bouwbesluit 2003 werd de maximale vluchtweglengte gekoppeld aan een bezettingsgraad. Des te meer mensen van de beschikbare oppervlakte gebruik moesten maken, des te korter de maximaal toegestane vluchtweglengte.

Brandwerendheid hoofddraagconstructie:

Van de hoofddraagconstructie van de brand (het geraamte) wordt verwacht dat deze in staat is het gebouw gedurende een bepaalde tijd overeind te kunnen houden zodat personen voldoende gelegenheid krijgen het bouwwerk te ontvluchten en de hulpdiensten voldoende tijd krijgen om hulp te verlenen (voorkomen instorten dak – voortschrijdende instorting). De brandwerendheid van de hoofddraagconstructie is gekoppeld aan de hoogte van de hoogste vloer van het gebouw waarop mensen kunnen verblijven (vloer hoogste verblijfsgebied). De getalswaarden voor de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie lopen uiteen van 60 tot 120 minuten. In een aantal gevallen kan reductie verkregen worden.

 

Besloten/niet-besloten ruimte:

Een bouwwerk is een besloten ruimte. Het bouwwerk dient derhalve te voldoen aan alle eisen zoals omschreven in het Bouwbesluit. In een aantal situaties kan / wil men hier echter niet aan voldoen. Denk hierbij aan onder andere aan een atrium. Een atrium verbindt gebouwdelen met elkaar. Een atrium kenmerkt zich door het open karakter. Juist dit open karakter is door de ontwerper / eigenaar gewenst. Echter ook dit atrium is een besloten ruimte en dient dus te voldoen aan de gestelde eisen. Indien het atrium als een niet-besloten ruimte aangemerkt mag worden, behoeft niet te worden voldaan aan de eis met betrekking tot de grootte van een brandcompartiment en de maximale lengte van vluchtwegen. In een enkel geval kan zelfs de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie worden gereduceerd.

 

Teneinde het open karakter te behouden is de wens van de ontwerper / eigenaar dit atrium als een niet-besloten ruimte te kunnen beschouwen. Om hieraan te voldoen moeten de condities in de niet-besloten ruimte te vergelijken zijn met de condities van een brand welke in de buitenlucht plaatsvindt. Hierover later meer.